Bewijsmateriaal 3
Videoclub krachtig onderwijzen

Om mijn onderwijsaanpak doelgericht en krachtig vorm te geven, ben ik vertrokken vanuit een grondige analyse van de beginsituatie van mijn klas (2B). Hierbij vond ik het essentieel om een breed en genuanceerd beeld te verkrijgen van mijn leerlingen, zowel op cognitief, sociaal als emotioneel vlak.
Ik maakte gebruik van verschillende methodieken om deze beginsituatie in kaart te brengen. Zo voerde ik kringgesprekken met de klas om zicht te krijgen op het welbevinden en om samen klasafspraken te formuleren. Daarnaast organiseerde ik individuele kindgesprekken tijdens het hoekenwerk. Deze gesprekken boden mij inzicht in het welbevinden, de interesses, leerervaringen en specifieke noden van de leerlingen.
Om deze informatie verder te verdiepen, werkte ik met een vragenlijst (“Mijn ontplooiing – Groep Intro”). Hierdoor kreeg ik een duidelijk beeld van wat leerlingen als moeilijk of net aangenaam ervaren, met wie ze graag samenwerken en welke verwachtingen ze hebben ten aanzien van de klaspraktijk. De verkregen informatie analyseerde ik om tendensen binnen de klasgroep te detecteren, zoals een nood aan differentiatie, verschillen in taalvaardigheid en voorkeuren voor bepaalde werkvormen.
Aanvullend nam ik kindcontacten af, waarbij ik individueel met leerlingen in gesprek ging over hun zelfbeeld, motivatie en welbevinden. Ook maakte ik gebruik van stellingen (met sterren) om op een laagdrempelige manier zicht te krijgen op het klasgevoel, de ervaren moeilijkheidsgraad van de leerstof en eventuele faalangst.
Verder consulteerde ik collega’s, zoals mijn parallelcollega, zorg coördinator en co-teacher, om mijn beeld van de klas te verrijken en te verfijnen. Door middel van klas- en speelplaatsobservaties kreeg ik bijkomend inzicht in de betrokkenheid, interesses en sociale interacties van de leerlingen.
Daarnaast stelde ik sociogrammen op om de sociale relaties binnen de klasgroep in kaart te brengen. Hierdoor kon ik zicht krijgen op vriendengroepen, sociale posities en leerlingen die minder aansluiting vinden. Ook de talige beginsituatie bracht ik in kaart via een talenpaspoort, en met behulp van een observatielijst rond executieve functies kreeg ik zicht op onder andere concentratie, taakinitiatie en zelfstandigheid.
Door deze brede en systematische aanpak kon ik de leerstatus, interesses en het leerprofiel van mijn leerlingen nauwkeurig bepalen. Deze inzichten vormden de basis voor mijn verdere didactische keuzes. Hiermee toon ik aan dat ik het kerndoel 1.1 Achterhaalt de beginsituatie van de lerende en de leergroep behaald heb.
Op basis van de geanalyseerde beginsituatie heb ik mijn doelstellingen doelgericht en onderbouwd geformuleerd. Uit mijn analyse bleek onder andere dat meerdere leerlingen nood hadden aan ondersteuning bij woordenschat en begrijpend lezen, en dat er duidelijke verschillen waren in leesvaardigheid en zelfstandigheid.
Daarnaast hadden we in de klas gedurende drie weken gewerkt rond het thema seizoenen. Op het einde van deze periode hebben we kort stilgestaan bij de lente. Tijdens het hoekenwerk wilde ik deze leerinhoud verder verdiepen en betekenisvol maken voor de leerlingen.
Een concreet doel binnen mijn hoekenwerk was dat leerlingen woordenschat rond het thema lente correct konden herkennen en koppelen aan de juiste betekenis of afbeelding. Voor leerlingen die nog kunnen groeien in het lezen, lag de focus op herkenning met behulp van visuele ondersteuning. Voor sterkere leerlingen werd de lat hoger gelegd door hen zelfstandiger te laten werken en minder ondersteuning te bieden.
Daarnaast formuleerde ik als doel dat leerlingen zelfstandig opdrachten konden uitvoeren aan de hand van een stappenplan, zoals in de hoek rond het zaaien van tuinkers. Hierbij lag de nadruk op het correct begrijpen en uitvoeren van opeenvolgende instructies.
Door mijn doelstellingen expliciet af te stemmen op de beginsituatie van mijn leerlingen en hierbinnen te differentiëren, zorgde ik ervoor dat alle leerlingen op hun niveau konden deelnemen aan het leerproces. Hiermee toon ik aan dat ik het kerndoel 1.2 Kiest en formuleert gericht doelstellingen behaald heb.
Bij het selecteren van de leerinhouden en leerervaringen heb ik bewust gekozen voor activiteiten die zowel aansluiten bij de vooropgestelde doelstellingen als bij de beginsituatie van mijn leerlingen.
Aangezien uit mijn observaties bleek dat mijn leerlingen nood hebben aan variatie en actieve verwerking, koos ik voor een hoekenwerk met diverse werkvormen, waaronder een ICT-hoek, een memory hoek, een woordenzoeker hoek, een leeshoek en een STEM hoek rond het zaaien van tuinkers. Deze activiteiten sloten inhoudelijk aan bij het thema lente en boden verschillende ingangen tot dezelfde leerinhouden.
Daarnaast hield ik expliciet rekening met verschillen in niveau. Zo voorzag ik bij de woordenzoeker en memory visuele ondersteuning in de vorm van afbeeldingen, zodat ook tragere lezers de opdrachten konden begrijpen en uitvoeren. In de leeshoek werden boeken op verschillende niveaus aangeboden, zodat elke leerling een passend leesaanbod kreeg.
Door deze bewuste en onderbouwde keuzes zorgde ik ervoor dat de leerinhouden en leerervaringen functioneel, betekenisvol en toegankelijk waren voor alle leerlingen. Hiermee toon ik aan dat ik het kerndoel 1.3 Selecteert doelgericht leerinhouden en leerervaringen behaald heb.
Het hoekenwerk werd opgebouwd als een samenhangend geheel waarbij alle activiteiten gericht waren op het bereiken van dezelfde doelstellingen, met name het uitbreiden van woordenschat, het bevorderen van zelfstandigheid en het correct uitvoeren van opdrachten.
Ik zorgde voor een duidelijke structuur door te werken met een gepersonaliseerde hoekenfiche. Hierop stond per leerling aangegeven welke hoeken uitgevoerd moesten worden en in welke werkvorm (individueel, in groep en per twee waar dat er een naam bij stond of niet ). Dit bood de leerlingen houvast en overzicht tijdens het leerproces.
Daarnaast werd binnen de verschillende hoeken bewust ingezet op herhaling en transfer. Zo kwamen dezelfde woordenschatitems terug in meerdere hoeken, zoals in de memory, de woordenzoeker en de leeshoek. Hierdoor kregen leerlingen de kans om de leerinhoud op verschillende manieren te verwerken en te verdiepen.
In de praktische hoek rond het zaaien van tuinkers werd gewerkt met een stappenplan dat ondersteund werd door visuele prenten. Dit zorgde voor een duidelijke opbouw en maakte het mogelijk voor leerlingen om zelfstandig en gestructureerd te werken.
Door deze samenhang en structuur werd het hoekenwerk ervaren als een logisch en doelgericht geheel, wat het leerproces van de leerlingen versterkte. Hiermee toon ik aan dat ik het kerndoel 1.4 Structureert leerinhouden en -ervaringen tot een samenhangend geheel behaald heb.
In mijn hoekenwerk heb ik doelbewust gevarieerd in werkvormen en groeperingsvormen, afgestemd op de noden en kenmerken van mijn klasgroep. Leerlingen werkten afwisselend individueel, in duo’s en in groep. In bepaalde gevallen stelde ik zelf de groepen samen, waarbij ik rekening hield met zowel sociale relaties als leerbehoeften. Zo stelde ik groepen bewust samen op basis van niveauverschillen, zodat leerlingen elkaar konden aanvullen en ondersteunen in het leerproces. Daarnaast hield ik rekening met verschillen in leesvaardigheid. In de ICT-hoek werd bijvoorbeeld één leerling aangeduid om de vragen voor te lezen. Deze keuze maakte het mogelijk dat ook leerlingen die nog in ontwikkeling zijn op vlak van leesvaardigheid actief konden deelnemen. Door deze doordachte keuzes in werk- en groeperingsvormen kon ik inspelen op de diversiteit binnen mijn klas en de betrokkenheid van alle leerlingen verhogen. Hiermee toon ik aan dat ik het kerndoel 1.5 Hanteert gepaste werkvormen en groeperingsvormen behaald heb.
Binnen deze opdracht stond binnenklasdifferentiatie centraal. Dit betekent dat ik inspeel op verschillen tussen leerlingen door variatie te voorzien in opdrachten, ondersteuning en werkvormen. Op basis van de beginsituatie ontwierp ik mijn hoekenwerk doelgericht volgens een stappenplan. Ik koos voor verschillende hoeken (ICT, memory, woordenzoeker, leeshoek en tuinkers zaaien), waarbij ik bewust differentieerde. Zo bood ik verschillende niveaus aan in de leeshoek via boeken op maat van de leerlingen. In andere hoeken voorzag ik ondersteuning, zoals afbeeldingen bij woorden, een correctiesleutel en een visueel stappenplan bij het zaaien van tuinkers. Ook in de organisatie differentieerde ik: leerlingen werkten individueel, per twee of in groep. Waar zinvol combineerde ik leerlingen zodat ze elkaar konden ondersteunen. In de ICT-hoek werd één leerling aangeduid om de vragen voor te lezen, zodat ook leerlingen die nog groeien in leesvaardigheid actief konden deelnemen.Deze keuzes tonen hoe ik het BKD-leerkrachtmodel toepas: ik maak doelgerichte didactische keuzes op basis van mijn klasgroep. Door deze aanpak konden alle leerlingen op hun eigen niveau werken en betrokken blijven. Hiermee toon ik aan dat ik het kerndoel 1.7 Creëert een ontwikkelingsbevorderende leeromgeving voor elke lerende behaald heb.
Maak jouw eigen website met JouwWeb