Bewijsmateriaal 1

Lesarrangement ‘ik en de wereld’ – Hoekenwerk (eerste leerjaar)

Voor mijn eerste bewijsmateriaal heb ik gekozen voor een lesarrangement binnen het vak ‘ik en de wereld’, uitgewerkt in de vorm van een hoekenwerk met als insteek ‘beeldende kunst’. Dit thema werd niet willekeurig gekozen. Tijdens mijn stage ben ik meerdere keren bewust gaan observeren in de klas. Tijdens deze observaties viel het mij op dat de leerlingen een grote interesse hebben in tekenen en creatief bezig zijn. Zo merkte ik dat leerlingen tijdens keuzemomenten spontaan voor tekenactiviteiten kozen en hier gedurende langere tijd geconcentreerd aan werkten.

Daarnaast heb ik ook informatie verzameld door in gesprek te gaan met de klasleerkracht, juf Stephanie. Zij gaf aan dat de klas recent op uitstap was geweest naar een kunstmuseum en dat de leerlingen hier zeer enthousiast op reageerden. Dit merkte ik ook zelf in de klas, aangezien leerlingen spontaan verwezen naar deze uitstap en ervaringen deelden met elkaar.

Om de beginsituatie volledig in kaart te brengen, heb ik niet enkel gekeken naar interesses, maar ook naar het cognitieve niveau van de leerlingen. Ik baseerde mij hiervoor op mijn observaties, eerdere lesmomenten en overleg met de klasleerkracht. Zo wist ik dat de leerlingen reeds kennisgemaakt hadden met verschillende letters en eenvoudige woorden en dat ze in rekenen bezig waren met optellen en aftrekken tot 8. Daarnaast stelde ik verschillen vast in tempo, zelfstandigheid en concentratie. Sommige leerlingen konden al vrij zelfstandig werken, terwijl anderen meer nood hadden aan ondersteuning en structuur.

Kerndoel 1.1 ‘Achterhaalt de beginsituatie van de lerende en de leergroep’ wordt hier duidelijk gerealiseerd. Door doelgericht te observeren, informatie te verzamelen via overleg en bestaande klasgegevens te raadplegen, heb ik mijn les afgestemd op zowel het niveau als de interesses van de leerlingen.

In overleg met de klasleerkracht werd beslist om gedurende een volledige week rond het thema ‘beeldende kunst’ te werken binnen het vak ‘ik en de wereld’. Binnen deze week werden twee lessen van telkens twee uur voorzien en werd het thema ook geïntegreerd in andere leergebieden. Zo heb ik doelgericht boeken gezocht die aansloten bij het thema en bij kunstenaars zoals Vincent van Gogh en Claude Monet tijdens het leeskwartier. Daarnaast werden er bewegingstussendoortjes ingezet, zoals de ‘Adriaan-dans’, om de betrokkenheid van de leerlingen hoog te houden.

Als afsluiting van deze thematische week heb ik een hoekenwerk georganiseerd waarin verschillende leergebieden geïntegreerd werden, namelijk taal, rekenen, muzische vorming en executieve functies. Op deze manier werd er vakoverschrijdend gewerkt. De leerlingen combineerden vaardigheden uit verschillende leergebieden binnen één betekenisvolle context, wat aansluit bij de visie van ‘ik en de wereld’.

Bij het uitwerken van dit hoekenwerk heb ik mij gebaseerd op mijn notities van onderwijskunde en heb ik bewust rekening gehouden met de algemene didactische principes van het eerste leerjaar. Kerndoel 1.3 ‘Selecteert doelgericht leerinhouden en leerervaringen’ komt tot uiting in de keuzes die ik maakte bij het samenstellen van de verschillende hoeken. Zo heb ik ervoor gezorgd dat alle opdrachten aansluiten bij het niveau van de leerlingen. Aangezien de leerlingen nog niet alle letters beheersen, heb ik er bewust voor gekozen om enkel te werken met letters en woorden die reeds gekend zijn. Hierdoor konden de leerlingen succeservaringen opdoen en bleef de leerinhoud haalbaar.

Voor de start van het hoekenwerk heb ik samen met de leerlingen alle hoeken klassikaal overlopen. Ik gaf telkens een korte en duidelijke uitleg over wat de bedoeling was en wat er van hen verwacht werd. Hierbij pas ik het didactisch principe van duidelijke en korte instructie en opdrachten toe. Door de instructie beknopt en concreet te houden, konden de leerlingen nadien zelfstandig en doelgericht aan de slag.

Het hoekenwerk werd bewust gestuurd georganiseerd. De leerlingen werkten telkens ongeveer 15 minuten per hoek en kregen daarna een signaal om door te schuiven. Deze tijdsindeling sluit aan bij de spanningsboog van leerlingen in het eerste leerjaar.

Kerndoel 1.4 ‘Structureert leerinhouden en leerervaringen tot een samenhangend geheel’ komt hier duidelijk naar voren. Door te werken met een vaste structuur, een duidelijke opbouw en een doorschuifsysteem, bleef het hoekenwerk overzichtelijk en konden de leerlingen actief betrokken blijven.

Tussen het doorschuiven door werd telkens een bewegingstussendoortje voorzien, namelijk de ‘Mondriaan-dans’. De leerlingen waren hier reeds vertrouwd mee en vonden dit zeer leuk, wat ook zichtbaar was doordat ze dit spontaan tijdens de speeltijd bleven doen. Dit sluit aan bij het didactisch principe van activiteit en afwisseling, wat essentieel is om de concentratie van leerlingen te behouden. Tegelijk bleef het thema kunst ook tijdens deze momenten aanwezig.

Kerndoel 1.5 ‘Hanteert gepaste werkvormen en groeperingsvormen’ wordt zichtbaar in de organisatie van het hoekenwerk. De activiteit startte klassikaal en werd daarna verdergezet in kleine groepjes. Binnen de hoeken werd er afgewisseld tussen samenwerkend leren en zelfstandig werken, afhankelijk van de opdracht.

In de eerste hoek gingen de leerlingen creatief aan de slag met de techniek pointillisme. Ze werkten met verf en brachten met een wattenstaafje kleine stipjes aan om zo een kunstwerk te maken. De leerlingen hadden deze techniek reeds gezien tijdens eerdere lessen, maar konden deze hier zelf toepassen. Hierbij wordt het didactisch principe van concreet en ervaringsgericht leren toegepast, doordat de leerlingen actief met materiaal aan de slag gaan en de leerinhoud zelf ervaren.

In de tweede hoek speelden de leerlingen een memoryspel met afbeeldingen die gelinkt waren aan het thema kunst, zoals verf, penselen en schildermaterialen. Deze activiteit sluit aan bij het kader van kindrijp onderwijs, waarbij er gewerkt wordt aan executieve functies zoals werkgeheugen, impulscontrole en cognitieve flexibiliteit. Door de speelse aanpak blijven de leerlingen gemotiveerd en betrokken.

In de derde hoek werkten de leerlingen aan een rekenopdracht tot 8. Deze werd ingeleid met een verhaal over een kunstenaar die naar de winkel gaat om verf en penselen te kopen en hiervoor moet kunnen rekenen. De leerlingen berekenden de uitkomsten en koppelden deze aan kleuren binnen een opdracht. Hier wordt het didactisch principe van betekenisvol leren toegepast, doordat de leerinhoud gekoppeld wordt aan een herkenbare context.

In de vierde hoek speelden de leerlingen een ganzenbordspel met gekende letters en woorden. Aangezien het belangrijk is dat leerlingen veel en gevarieerd oefenen, werd hier sterk ingezet op het didactisch principe van herhaling en variatie. Door de speelse werkvorm bleef de motivatie hoog en werd het oefenen als minder belastend ervaren. In deze hoek werden de leerlingen ondersteund door de zorgleerkracht, zodat er extra begeleiding geboden kon worden waar nodig.

In de vijfde hoek werkten de leerlingen met twee opdrachten. Eerst maakten ze een woordzoeker met woorden rond gekende letters. Daarnaast was er voor leerlingen die sneller klaar waren een extra opdracht voorzien in de vorm van een kleurplaat met focus op de letter d, een letter die die week centraal stond.

Op deze kleurplaat stonden woorden die de leerlingen reeds kenden, maar ook woorden die nog niet expliciet aangeleerd waren. Deze werden telkens ondersteund met afbeeldingen, zodat de leerlingen via visuele ondersteuning toch de juiste koppelingen konden maken.

Hier wordt niet alleen het didactisch principe van visualiseren toegepast, maar is er ook duidelijk sprake van differentiatie. Leerlingen die sneller klaar waren, kregen een verdiepende opdracht, terwijl de visuele ondersteuning ervoor zorgde dat ook minder zekere lezers zelfstandig aan de slag konden blijven. Op deze manier werd er ingespeeld op de verschillen binnen de klasgroep.

Doorheen het volledige hoekenwerk werd niet alleen gewerkt aan cognitieve leerinhouden, maar ook aan bredere vaardigheden zoals samenwerken, zelfstandig werken, plannen en het richten van aandacht. Dit sluit aan bij het kader van kindrijp onderwijs, waarbij de ontwikkeling van het volledige kind centraal staat.

Tot slot wordt ook kerndoel 11.4 ‘Leergierigheid en eigenaarschap: is nieuwsgierig, zoekt actief naar situaties om zijn competenties te verbreden en te verdiepen en neemt het leren in eigen handen’ gerealiseerd. Tijdens de voorbereiding van dit hoekenwerk heb ik actief mijn eigen leren in handen genomen. Ik baseerde mij op observaties, mijn kennis uit de opleiding en het overleg met de klasleerkracht. Daarnaast heb ik feedback gevraagd en mijn aanpak bijgestuurd waar nodig. Ook na de uitvoering van het hoekenwerk heb ik gereflecteerd over mijn handelen en nagedacht over mogelijke verbeterpunten. Op deze manier werk ik doelgericht aan mijn professionele ontwikkeling als toekomstige leerkracht.